Slachtoffer van een medische blunder

0
92

DE TRAGISCHE DOOD VAN MIJN MOEDER       

Het was op dinsdag, 3 maart 2009, dat wij onze 85-jarige moeder naar het ziekenhuis brachten om de volgende dag een darmoperatie te ondergaan.         
In februari van dat jaar was er bij haar darmkanker zonder uitzaaiingen geconstateerd en volgens de artsen zou mijn moeder dus volledig kunnen herstellen na zo’n operatie. 
Gezien haar hoge leeftijd zou zij hoogstens enig risico kunnen lopen wat de narcose betrof, maar de artsen waren hoopvol en optimistisch gestemd. De chirurg die haar zou opereren stelde haar gerust met de woorden dat hij dergelijke operaties dagelijks deed en dus durfde ze de operatie dan ook aan.  

DE OPNAME        

Weliswaar was ze de dag van haar opname begrijpelijkerwijs erg zenuwachtig, maar toch vol levenslust en optimisme.       
Nadat alle formaliteiten waren afgehandeld kreeg mijn moeder een bed aangewezen in een kamer voor 4 patiënten. Ze trof het dat er een bed leeg was bij het raam en ze daar ook genoeg ruimte had om haar rollator in haar buurt te kunnen plaatsen. We hielpen haar met omkleden en in bed en bleven nog even bij haar babbelen om haar gerust te stellen. We gingen weg toen een zaalarts het e.e.a. met mijn moeder wilde doornemen en er nog van alles met haar moest gebeuren voor de operatie.

HET EERSTE BEZOEKUUR     

‘s Avonds was het weer bezoekuur en mijn moeder was blij om mijn zus, zwager en mij te zien. We zeiden haar dat alles goed zou komen en dat het voorbij zou zijn voor ze er erg in had. ‘Ik hoef gelukkig geen stoma toch, vroeg ze nog. ‘Nee’, zeiden wij bijna in koor, dat heeft de dokter toch gezegd, geen stoma’.        
Toen er werd omgeroepen dat het bezoekuur voorbij was namen we afscheid en wensten haar veel sterkte toe en zeiden we haar, dat als ze ons morgen weer zou zien, alles achter de rug zou zijn. Ze knikte met een kleine glimlach en we zwaaiden naar haar totdat we uit het zicht verdwenen.`        

NA DE OPERATIE

De volgende dag werd ik op mijn werk gebeld door de chirurg dat alles goed was gegaan. Ze hadden een nieuwe darmaansluiting gemaakt en mijn moeder lag inmiddels op de Verkoeverafdeling. Ik slaakte een zucht van opluchting en kon niet wachten om haar te bezoeken op het eerstvolgende bezoekuur. Omdat het nogal moeilijk parkeren was bij het ziekenhuis, ging ik al vroeg op weg om vooral op tijd naar haar toe te kunnen gaan.        
Onderweg had ik nog een leuk bloemstukje voor haar gekocht, zodat haar ziekenhuistafeltje een beetje zou worden opgefleurd. Ik ontmoette mijn zus en zwager in de hal van het ziekenhuis en met ons drieën gingen we vol optimisme naar onze moeder.  
Ze was duidelijk blij ons te zien, maar ze leek nog wat versuft, lag er stilletjes bij en het viel ons op hoe kortademig ze was.`       
Met een zwak stemmetje fluisterde ze ‘toch geen stoma?’   
Nee lieverd’, zei ik, ‘natuurlijk niet, geen stoma, hoor, alles is achter de rug en nu nog herstellen. Ze knikte flauwtjes en dommelde in. We gaven haar een kus en fluisterden dat we morgen weer kwamen.’        

DE DAG NA DE OPERATIE     

Toen we de volgende dag op bezoekuur kwamen, lag mijn moeder er bleekjes bij en haar altijd zo welluidende stemmetje klonk nog zwakker dan de dag ervoor en ze had duidelijk heel veel moeite met ademen. We vroegen haar of het wel goed ging en ze reageerde met veel moeite op onze vraag. We verfristen voorzichtig haar gezicht en handen en poetsten haar tanden, in de hoop dat ze zich misschien wat beter zou gaan voelen en het deed haar ook zichtbaar goed. Ze was vooral erg blij met de verfrissing van haar mond, maar van elke handeling leek ze al gauw uitgeput en we vonden dan ook dat we haar zoveel mogelijk moesten laten rusten.
Daar we niet gerust waren over haar toestand, begaven we ons na afloop van het bezoekuur naar de balie van de verpleegkundigen in de gang en vroegen of het wel goed ging met onze moeder. De verpleegkundige die ons te woord stond zei ‘ja hoor, alles gaat goed, maar uw moeder is al oud en heeft gewoon meer tijd nodig’.
We zeiden dat we ons nogal ongerust maakten, maar ze herhaalde opnieuw dat alles goed ging en dat we het de tijd moesten geven.   

GEEN VERPLEEGKUNDIGE TE BEKENNEN!       

De dagen daarna troffen wij haar steeds zwakker en erg benauwd aan en steeds weer vroegen we de verpleegkundigen of het wel goed met haar ging. Bij herhaling kregen we hetzelfde antwoord. Ze was al oud en had meer tijd nodig.
Elke dag hoopten wij enige vooruitgang te bespeuren, maar we zagen dat het steeds slechter met haar ging en onze onrust nam toe.    
Op zondag was ik net terug van het bezoekuur, toen mijn zus belde dat ze op het punt stonden naar mijn moeder te gaan, maar dat hun auto een lekke band had en ze dus niet konden komen met het bezoekuur. Ze had het er duidelijk moeilijk mee dat ze niet konden gaan. Ik belde het ziekenhuis en vroeg de verpleegkundige die mij te woord stond mijn moeder te waarschuwen dat mijn zus en zwager niet konden komen omdat ze een lekke band hadden.     
Ik had de telefoon nog niet neergelegd of ik voelde plotseling een vreemd onrustig gevoel in mij opkomen en besloot om opnieuw naar het ziekenhuis te gaan.     
Aldaar trof ik mijn moeder op een stoel aan de tafel aan.   
‘Dag mama’, zei ik, ‘ik ben er weer, hoor’. Ze opende met moeite haar ogen en zei bijna onhoorbaar ‘wat leuk dat je weer komt’.    
Ik zei haar dat Suzette en Jan deze keer niet konden komen omdat hun auto een lekke band had.   
‘Ja’, zei ze met lange tussenpozen ‘de dokter kan ook niet komen, hij heeft een lekke band’.
Ik vroeg ‘wie zei dat dan?’
‘De zuster’, zei ze. Ik legde haar uit dat ze het verkeerd begrepen had, dat niet de dokter maar Suzette en Jan een lekke band hadden. Het drong nauwelijks tot haar door en ik zag hoe haar ogen steeds wegdraaiden en zij regelmatig bijna naar voren dreigde te vallen. 
Ik zei ‘dat gaat zo toch niet, mama, wilt u niet liever naar bed?’Ze knikte en ik zei dat ik een zuster zou roepen. ‘Nee, nee’, stamelde ze angstig ‘niet roepen, niet roepen, dan worden ze boos’.       
Ik zei haar dat ze daarvoor waren, maar ze reageerde paniekerig ‘nee, jij, jij moet het doen’. Daar ze aan allerlei apparatuur verbonden was vroeg ik me af hoe ik haar in bed zou kunnen krijgen. Ik belde angstig om een zuster, maar er kwam maar niemand opdagen. Ik zag dat ze het bijna niet meer volhield en ik zei haar dat ik zou trachten haar in bed te krijgen.        
Gelukkig bood de man van een patiënte naast haar zijn hulp aan, waarvan ik dankbaar gebruik maakte. We ondersteunden haar aan beide zijden, terwijl we de apparatuur angstvallig in de gaten hielden. Helaas kregen we haar door al die slangen slechts tot op het randje van het bed en de hulpvaardige man zei ‘ga jij maar een zuster roepen, dan blijf ik wel bij haar’. Ik liep de hele gang door, maar kon geen zuster ontwaren en in mijn onrust klampte ik iemand aan en vroeg die persoon of zij een zuster had gezien.        
Ze zei dat ze in het kamertje aan het einde van de gang , twee zusters naar binnen had zien gaan. Ik snelde er naar toe en trof daar inderdaad 2 zusters aan. De een zat achter een blad vol eten en de ander stond nog rechtop met zo’n zelfde blad in haar hand. Ik zei ‘ik bel al zo lang, u moet mijn moeder helpen, ze houdt het niet meer, ze moet naar bed’. De zittende zuster antwoordde bits ‘ja, hier horen we de bel ook niet’. Ik zei dat ik mij afvroeg hoe dat dan ging als iemand een hartaanval zou krijgen.  
De staande zuster zette haar blad neer en liep met een gezicht als een oorwurm met mij mee. Mijn moeder zat nog steeds op het randje van dat bed en die zuster zei ‘dat kan ik niet alleen, daar heb ik een collega bij nodig’. Ik voelde me aardig driftig worden, want alsof mijn doodzieke moeder verdorie al niet veel te lang had moeten wachten op hulp. Ik snauwde bijna ‘zegt u nu maar hoe ik haar moet vastpakken, want anders zit ze hier vanavond nog’.  
Ze deed de greep voor die ik moest toepassen en samen tilden we mijn moeder in bed.
Ik vroeg die zuster of het nu wel goed met haar ging, dat ik er niet gerust op was, maar ze antwoordde dat ze onderzocht was en dat alles goed was en ze meer tijd nodig had. 
Happend naar adem en zo bleekjes lag mijn moedertje daar. Dat kleine vrouwtje van 1.44 m, leek opeens nog kleiner dan ze was en zo breekbaar in dat veel te grote bed.
Ik dekte haar toe, pakte haar hand in de mijne en zei ‘het komt allemaal goed, lieverd, het komt allemaal goed’. Ze zakte steeds weg en de tranen rolden over mijn wangen.
Het hele bezoekuur bleef ik dicht bij haar zitten, hield haar handen in de mijne en streelde steeds weer haar gezicht. Ze wilde niets drinken of eten en ik zei dat ze dat toch nodig had om aan te sterken, maar ze schudde steeds weer lichtjes haar hoofd.
Veel te snel ging het bezoekuur voorbij en ik vond het verschrikkelijk haar in zo’n toestand achter te moeten laten.        

DE SPOEDOPERATIE   

De volgende dag werd ik op mijn werk gebeld door een arts die gehaast mededeelde, dat mijn moeder met spoed moest worden geopereerd en dat we meteen moesten komen, omdat ze die operatie waarschijnlijk niet zou overleven.        
Het leek alsof de grond onder mij wegzakte, mijn hele lichaam begon te beven en ik zei ‘u moet haar redden, u moet uw best doen’. Hij zei dat ze hun best zouden doen en verbrak toen de verbinding. Ik belde huilend mijn zus en zwager en vertelde van het telefoontje.
We snelden alle drie naar het ziekenhuis en moesten aldaar wachten in een klein kamertje.
De minuten leken uren en eindelijk kwam er een vrouwelijke arts in operatiekleding ons gehaast en kortaf vertellen dat mijn moeder tegen reanimatie had gelegen, dat ze een stoma hadden moeten aanleggen omdat die darmaansluiting bleek te zijn losgeraakt en dat haar toestand nog erg kritiek was en ze daarom in slaap werd gehouden en aan de beademing was gelegd op de IC.    
We mochten haar daar even bezoeken en dus gingen we zo snel mogelijk naar de IC.

DE INTENSIVE-CARE (IC)     


Pas na een tijdje mochten we bij haar en het choqueerde ons zoals ze erbij lag. Een grote buis door haar mond, overal alarmerende toeters en bellen. We streelden haar gezicht en haar handen en fluisterden haar steeds maar toe dat alles goed zou komen. Ze leek in diepe slaap en kwetsbaarder dan ooit. De tranen stroomden over de wangen van mijn zus en mij en er kwam een verpleegkundige die vroeg waarom we ons zo ongerust maakten.  
We zeiden haar dat we zo bang waren onze moeder te verliezen, dat ze zo ziek was en we steeds zo schrokken van al die alarmerende toeters en bellen. Ze zei dat het nergens voor nodig was ons zo ongerust te maken, dat onze moeder goed in de gaten werd gehouden en we niet zo bang moesten zijn van al die geluiden van de apparatuur. 
De kalmerende woorden van die verpleegkundige stelde ons enigszins gerust. We mochten maar even bij haar en moesten toen weg. Er was 3x per dag bezoekuur op de IC en we spraken af met ons drietjes naar elk bezoekuur te gaan. De daaropvolgende dagen balanceerden we steeds tussen hoop en wanhoop. Met heel ons hart hoopten we elke dag een kleine vooruitgang te bespeuren.

DE SPULLEN VAN MIJN MOEDER   

Mijn moeder lag nu  2 dagen op de IC en ik moest mijn moeders spullen halen op de afdeling waar ze gelegen had, omdat ze het bed nodig hadden voor een andere patiënt. Mijn hart was vol woede toen ik al die zusters in een rij zag zitten op de galerij van die verdieping. Ze hadden duidelijk plezier met elkaar en mijn hart kromp er van ineen toen ik eraan dacht hoe bang mijn moeder voor ze was geweest.
Waarom ze zo bang voor ze was weet ik niet, maar ze moesten zeker niet aardig tegen haar zijn geweest dat ze altijd zo panisch reageerde op hun aanwezigheid.
Ik spoedde me naar de afdeling waar mijn moeder gelegen had, zocht woedend haar spulletjes bijeen en laadde die op haar rollator.       
Met rollator en al ging ik naar de balie waar wat verpleegsters bijeen zaten en luid vroeg ik mij de namen te geven van de 2 verpleegsters die ik had moeten opsporen in dat kamertje achterin die lange gang die zondagavond . Ze zeiden dat ze die niet konden geven en ik schreeuwde bijna ‘mijn moeder ligt op de IC door jullie, stelletje prutsers dat jullie hier zijn, prutsers zijn jullie’. Een zuster kwam met een hoofdverpleegster aangesneld, die mij op vriendelijke toon vroeg of we even op haar kantoor onder een kopje koffie konden praten.       
Ik schreeuwde ‘praten, praten, daar zijn jullie nu te laat mee, daar hebben jullie dagen voor gehad, mijn moeder ligt op sterven na dood op de IC door jullie onkunde en verwaarlozing’.        
Over mijn toeren manoeuvreerde ik vervolgens de volgepakte rollator door een haag van op het tumult afgekomen verpleegkundigen en uit hun kamer gekomen patiënten. Ik moest er weg, weg, alvorens ik mezelf helemaal niet meer in de hand zou hebben. Op weg naar mijn auto ging mijn mobiele telefoon. Het was mijn zus die vroeg waar ik bleef. Ik zei dat ik mama’s spullen naar de auto aan het brengen was en dat ik daarna meteen zou komen.    

HET SLECHTE BERICHT        

Toen ik op de IC kwam zei mijn zus voorzichtig dat ze me iets moest vertellen. De tranen rolden opeens over haar wangen en ze zei ‘mama moet opnieuw geopereerd worden en ze weten niet of ze het weer zal halen’.         
Ik dacht dat ik in elkaar zou storten en begon te huilen ‘waarom, waarom nu weer, ze kan dat toch niet aan, ze kan dat niet aan voor een derde keer’. Ze antwoordde dat de dokter had gezegd dat er pus naar haar bekken was gestroomd en dat ze daarom weer geopereerd moest worden. ‘Hoe goed hebben ze haar buik dan wel niet schoongespoeld dat er pus naar haar bekken kan stromen’, zei ik. We huilden op elkaars schouder uit en hielden gedurende het hele bezoekuur ieder een hand van ons moedertje in de onze. 

DE TWEEDE SPOEDOPERATIE        

Diezelfde middag reeds werd mijn moeder opnieuw geopereerd. Weer kwam ze tot onze opluchting door de operatie heen, maar we schrokken toen we haar daarna zagen.
Haar handen en benen waren helemaal opgezwollen, ze had een grote wond onder haar keel en ze lag weer aan de beademing en zou de komende dagen ook weer in diepe slaap worden gehouden. Ik wilde al haar lijden zo graag van haar overnemen, maar wie was ik? Ik was God niet en kon alleen maar die enorme machteloosheid voelen, zo onmachtig haar lijden te verlichten en/of over te nemen. Aan haar bed werden we zenuwachtig van elke bel, elk geluidje van de apparatuur. We baden voortdurend in stilte voor haar volledige herstel en vertrouwden erop dat God haar zou redden.      
Het wachtkamertje waarin we altijd als bezoek moesten wachten alvorens we werden toegelaten, was erg kil van inrichting en ongezellig en hielp zeker niet mee om de voortdurende spanning en angst bij familieleden van de ernstig zieke patiënten op de IC ietwat te verlichten. Mijn zus en ik fantaseerden erover hoe die wachtruimte veel aangenamer zou kunnen worden ingericht.     

VAN DE BEADEMING   

Na een paar dagen werd besloten mijn moeder uit haar kunstmatige slaap te halen en van de beademing af te halen. We zagen dat als een teken dat het veel beter met haar moest gaan, want anders zouden ze zeker niet zo’n belangrijk besluit nemen.        
Toen we dus op een gegeven moment op bezoekuur kwamen was ze van de beademing gehaald, maar ze lag nog wel in slaap.       
We spraken voortdurend op fluisterende toon tegen haar en zeiden dat God haar zeker beter zou maken omdat hij toch zeker de enige echte arts was. Het moment waarop ze plotseling haar ogen opende maakte ons zo gelukkig en blij en we heetten haar opgelucht welkom terug.     
Ze leek even het gevoel voor de werkelijkheid kwijt, staarde ons aan en probeerde te praten. Haar stem klonk erg zwak en schor, maar wij vermoedden dat dat vast te wijten was aan die vreselijke beademingsbuis waaraan ze zo lang gekoppeld was geweest.       
We streelden haar wangen en mijn zus trachtte de lelijke wond onder haar keel wat te verzorgen en te verzachten met wat Bioforce. Het bevreemdde ons dat de open wond niet verbonden was, want het zag er lelijk uit en volgens ons was er sprake geweest van wat pusvorming.  
We vroegen een verpleegkundige wanneer ze zou mogen eten en drinken en ze zei dat ze dat al mocht. We lieten ons dat geen 2x zeggen en sjouwden van alles mee om haar maar aan het eten en drinken te krijgen, zodat ze zou kunnen aansterken. Daar ze zo verzwakt was haalde ik bij de apotheek wat versterkende vloeibare voeding. Maar wat we ook probeerden,ze was niet aan het eten of drinken te krijgen.       
Wij vermoedden dat ze moeite had met slikken en in een opwelling vroeg ik haar of ze misschien een ijsje wilde. Ze reageerde enthousiast en zei ‘ja, een ijsje, een ijsje.         
Ze had het nog niet gezegd of ik rende al naar het restaurant beneden in de hal.
Ik koos voor een bekertje roomijs, want ik was van mening dat daar tenminste een melk in zat en elk klein beetje voedingsstof leek mij welkom voor haar zo verzwakte lichaam.
Mijn zus voerde haar kleine hapjes en ze genoot er zichtbaar van, terwijl wij dolgelukkig waren met elke kleine hap die ze nam. Bij elk bezoek reageerde ze weer heel enthousiast als ik vroeg of ik een ijsje voor haar moest halen. Daar ze echter veel last kreeg van slijmvorming besloten we in overleg met de verpleegkundigen, dat we in plaats van roomijs voortaan voor waterijsjes zouden kiezen. Mijn moeder zoog elke keer weer gulzig aan het waterijsje dat mijn zus voor haar vasthield en op een gegeven moment zei ze wat lachend ‘ik ben zo gulzig’. We lachten met haar mee en zeiden ‘wees maar lekker gulzig, hoor’.

SONDEVOEDING

Daar ze al zo lang zonder voeding lag, besloten de artsen dat mijn moeder sondevoeding moest krijgen en we waren blij dat ze eindelijk wat binnen zou krijgen.
Het zou niet van lange duur zijn, want al gauw was de sondevoeding weer verwijderd. Toen we vroegen waarom dat was kregen we als antwoord, dat mijn moeder de sonde eruit had getrokken. Dat bevreemdde ons, want ze was zo zwak dat ze nog niet eens een hand kon optillen en ik zei dat dat misschien door een verkeerde beweging moet zijn veroorzaakt. De sonde werd echter niet opnieuw aangebracht, want ze vonden dat niet verantwoord.’

DELIER

Toen we ‘s avonds weer kwamen waren de gordijnen voor haar raam gesloten. Ik opende ze en zei ‘zo mama, nu kan u tenminste wat naar buiten kijken’. Ze reageerde echter paniekerig ‘nee’, zei ze, ze moeten dicht, ze moeten dicht’. Ik vroeg haar waarom ze dicht moesten en ze zei ‘vleermuizen, er hangen allemaal vleermuizen aan de ramen’.     
‘Nee lieverd’, zei ik, ‘er zijn geen vleermuizen’. Gezien haar angst en onrust besloot ik toch maar weer de gordijnen te sluiten en toen de zuster kwam zei ik dat ze bang was voor vleermuizen en vroeg ik hoe dat kwam. Ze zei dat mijn moeder last had van delier en ze legde ons uit dat dat kon optreden bij mensen die al lang op de IC lagen.         
In de dagen die volgden ging mijn moeder steeds angstiger reageren op gebeurtenissen.
Op een keer dat wij afscheid moesten nemen omdat het bezoekuur was afgelopen, reageerde ze verschrikt en bang en vroeg ‘gaan jullie weg en ik dan, nu sta ik hier in de regen en hoe vind ik dan mijn huis? Mijn hart kromp gewoon ineen en mijn zus en ik trachtten haar te overtuigen dat ze veilig in een bed lag, dat we haar nooit zouden achterlaten in de regen en dat we gauw weer terugkwamen. Andere keren zag ze weer zigeuners, kinderen en nog meer van die vreemde dingen. Het verontrustte ons steeds meer en we trachtten haar voortdurend gerust te stellen.‘  

VAN DE IC 

Op een dag zei een verpleegkundige ons, of misschien was het een arts, dat onze moeder niet meer kritiek genoeg was voor de IC en zou worden teruggebracht naar de afdeling.  
Wij protesteerden daar hevig tegen, want we vonden haar nog veel te zwak en ziek, maar al onze protesten werden weggewuifd met de reactie dat ze echt niet meer kritiek genoeg was.       
We stonden erop dat we erbij wilden zijn als ze naar de afdeling teruggebracht werd, want we wilden ons ervan vergewissen dat ze goed ontvangen werd op die oude afdeling en ze daar goed terecht zou komen. We liepen ieder aan een kant van het bed mee en probeerden onze moeder voortdurend geruststellende woordjes toe te fluisteren.
Ze werd op een tweepersoonskamer gelegd met nog een andere oude vrouw.
Er kwam een hoofdverpleegster naar ons toe die zei dat ze probeerden een kamertje alleen voor mijn moeder te regelen. Maar dat voorstel wuifden we weg. Immers, als ze met iemand samen lag, dan zou, naar ons idee, de kans groter zijn dat het sneller werd opgemerkt als er iets mis zou gaan.  

DE WASBEURT   

Toen mijn zus op een gegeven moment mijn moeders voeten wat wilde masseren, bemerkte ze dat onze moeder gewoonweg begon te stinken en we besloten haar voortaan zelf te wassen.   
Die avond namen we handdoeken, washandjes en zeep mee en begonnen mijn moeder voorzichtig zelf te wassen, waarvan mijn altijd zo op persoonlijke hygiëne gestelde moeder zichtbaar genoot.  

‘IK BEN HEEL ERG ZIEK         ‘

Nog steeds wilde ze niets eten of drinken dan alleen maar waterijsjes waar ze steeds gulzig aan zoog.        
Om haar te stimuleren beter te worden namen we foto’s mee van het 85-jarige verjaardagsfeestje wat we toen voor haar hadden georganiseerd en ook nog wat foto’s van thuis. Ze bekeek de foto’s samen met ons en toen ze een foto zag waarop ze zelf lachend stond zei ze ‘toen was ik nog vrolijk’. Toen opeens keek ze me aan en zei met lange tussenpozen ‘ik ben heel erg ziek zegt de dokter’. Ik begon te huilen, legde mijn hoofd naar haast op het kussen en zei ‘ach mamaatje, waarom eet u dan ook niet, zo kan u toch niet aansterken?’     
Heel langzaam ging haar arm omhoog en wees ze naar haar neus. Ik vroeg haar ‘wilt u een voedingssonde, mama?’ Ze knikte en mijn zwager ging gauw een zuster halen.
Ik zei dat ze een voedingssonde moesten aanbrengen bij mijn moeder, dat ze al zo lang zonder eten en drinken lag en daarom wel moest verzwakken. Ze antwoordde dat er nu geen dokter meer was en dat ze het morgenochtend wel zouden bespreken.    
‘Nee’, zei ik driftig, ‘nee, u gaat nu een dokter bellen en ik sta erop dat ze een voedingssonde krijgt, ze heeft erom gevraagd’.      
Nog diezelfde middag brachten ze een voedingssonde aan. 
Mijn zus en ik besloten om nu eindelijk maar eens een gesprek te regelen met de behandelend chirurg, die al die tijd niet de moeite had genomen om ons behoorlijk op de hoogte te stellen van de toestand van onze moeder.  

HET STERVEN     

De volgende morgen vroeg belde mijn zus dat ze een gesprek met de chirurg voor ons had geregeld om 13.30 uur. Ik had de telefoon nog niet neergelegd of hij rinkelde alweer.
Het was mijn zwager die in paniek riep ‘we moeten naar het ziekenhuis, nú, het gaat niet goed met mama’. Mijn hele lichaam begon te beven en ik voelde een enorme angst in mij opkomen. Ik weet niet meer hoe ik mijn auto heb bereikt, maar ik weet wel dat ik de hele weg naar het ziekenhuis huilde ‘mama, wacht op mij, wacht op mij, mama’.     
Toen ik aankwam waren mijn zus en zwager al aanwezig en mijn zus hield mijn moeder in haar armen, terwijl het er wemelde van de witte jassen. Zoveel witte jassen hadden wij al die weken nog niet rondom mijn moeder gezien. Mijn zus maakte meteen plaats om mij toe te laten en ik nam dat zo zwakke en broze lichaam in mijn armen en zei ‘ach mama, mamaatje toch, ach lieverd, ik ben er, ik ben er’.    

Haar lippen vormden nog woorden zonder geluid en ze was duidelijk in ernstige ademnood.
Die medische staf wilde met ons praten, maar ik wimpelde dat ongedurig af ‘nee’, zei ik, nu niet, nu niet, ik blijf bij mijn moeder’. Uiteindelijk spraken ze tegen mijn zus die mij zei ‘ze zeggen dat mama hoe dan ook zal sterven, maar ze willen het haar vergemakkelijken met medicijnen zodat ze het niet zo benauwd heeft, wat moeten we doen?’.    
We voelden ons zo wanhopig en machteloos op dat moment, maar stemden uiteindelijk toe, want we wilden niet ze zo moest lijden.   
Ik streelde haar wangen en zei ‘ach mama, als je moet gaan, lieverd, dan moet je gaan, je hoeft niet te blijven voor mij, ik red me wel’. Onder geen beding wilde ik dat ze zo’n doodsstrijd zou moeten leveren voor mij.     
Van iemand houden betekent ook iemand los moeten kunnen laten om haar in vrede te laten sterven. Toen zagen we haar lichaam langzaam verduisteren totdat het laatste licht via haar kruin ontsnapte. Met geen pen kan ik beschrijven wat er in me omging op het moment dat ze stierf. Het was alsof mijn hart eruit werd gerukt en ik samen met haar stierf.
Mijn lieve, kostbare en zo warme moeder was er niet meer. Mijn zwager was intussen die medische staf gaan waarschuwen. Er kwam een vrouwelijke arts binnen die met haar stethoscoop luisterde naar mijn moeders hart.       
Toen stak ze koel haar hand uit naar mijn zus en zei op zakelijke toon ‘ik moet u condoleren’. Dat was het dan. Ze verlieten de kamer en lieten ons alleen. Alsof mijn moeder gewoon maar een ding was geweest en geen menselijke wezen. Zo koud, zo bits, zo kort en zakelijk.   
We brachten haar vol levenslust en optimisme naar het ziekenhuis en kregen haar binnen 3 weken in een houten kist terug. Mijn zus, zwager en ik hebben die 3 weken met ongeloof beleefd.  
Dat je niet meer waard bent om moeite voor te doen als je al zo oud bent, het heeft ons erg geshocqueerd.       
 
DE ZGN. ONAFHANKELIJKE KLACHTENCOMMISSIE   

We besloten uiteindelijk een klacht in te dienen tegen de behandelende chirurg en zijn staf. We konden gewoonweg niet begrijpen dat een arts een patiënt 6 dagen lang kon laten liggen met een losgeraakte darmnaad en pas tot actie overging toen het bijna te laat was. Ook waren wij van mening dat onze moeder het veel te lang zonder voeding had moeten stellen, waardoor zij steeds meer verzwakte. En verder vonden wij het onaanvaardbaar dat zij nog in doodzieke en verzwakte toestand al van de IC moest.        
Het ging ons niet om geld, want met geen miljoenen zouden wij onze waardevolle moeder nog terugkrijgen. We wilden alleen dat haar dood niet voor niets zou zijn geweest, dat de artsen ervan geleerd hadden en dat andere patiënten en hun familieleden in de toekomst zouden worden behoed voor diezelfde hel waardoor wij 3 weken lang waren heen gegaan. Onze klacht werd in behandeling genomen door de zgn. onafhankelijke klachtencommissie van het ziekenhuis.        
Wij vroegen ons al gauw af hoe je onafhankelijk kon zijn als je als commissie met ons correspondeerde op het papier van het ziekenhuis. De commissie bestond op een secretaresse na uit allemaal witte jassen. Mijn zus en ik werden gehoord en ook die behandelende chirurg, die zichzelf op vele punten tegensprak, maar alleen mijn zus en ik schenen dat door te hebben. We hadden perse niet met hem rondom de tafel gewild, want we waren de prutser zeker aangevlogen! Hij kwam met het verweer dat hij in die tijd naar een congres moest en dat hij een gesprek met ons zou hebben, maar dat we hadden afgezegd. Ja, natuurlijk hadden we afgezegd. Wat moesten we nog bepraten toen mijn moeder al overleden was?        
De definitieve uitspraak luidde uiteindelijk dat alle klachten tegen die chirurg ongegrond werden verklaard en 2 klachten tegen de verpleegkundigen gegrond.
Wie was nu nota bene het Hoofd van die afdeling en dus de enige, echte verantwoordelijke in die drie weken?       

Onze ogen en oren hebben gezien en gehoord wat heeft geleid tot de dood van onze moeder!
En nooit en te nimmer zullen ze ons van die gedachten kunnen afbrengen.
Een arts die verdikkie 6 dagen de tijd nodig heeft om te constateren wat er aan de hand is met zijn patiënt?      
Ik heb ze geantwoord dat hun uitspraak gebaseerd was op leugens, wij als familie de waarheid weten en niets dan de waarheid, die heeft geleid tot de dood van onze moeder en dat we die waarheid altijd zullen blijven uitdragen. Haar dood kan en mag niet voor niets geweest zijn.   

NA 2 JAAR 

We zijn nu 2 jaar verder, maar het verdriet blijft en de pijn. En nog steeds heb ik niet kunnen afrekenen met de woede die ik voel t.o.v. die chirurg en zijn Staf.      
De mooie herinneringen aan haar worden nog altijd overschaduwd door die 3 weken van haar lijden, die zich voortdurend weer op mijn netvlies en in mijn gedachten afspelen. En ik vraag me steeds weer af of ik niet meer had kunnen doen om haar te redden? Die vreselijke machteloosheid die ik voelde ben ik nooit meer kwijtgeraakt en mijn vertrouwen in de medische wereld is voorgoed verdwenen. En ondanks het feit dat ik een geweldige huisarts heb, ben ik sindsdien voortdurend alert bij elke medische behandeling die ik zelf moet ondergaan. En ik weet ook dat ik onder geen beding meer in een ziekenhuis wil liggen als ik straks de leeftijd van mijn moeder benader. Laat me dan maar liever gewoon thuis sterven, want ik zou geen arts vertrouwen op die leeftijd.  
Mijn moeder is het recht op een volwaardige medische behandeling ontnomen door verwaarlozing en geblunder van haar behandelende artsen.      
Helaas hebben ze er niets van willen leren en vrees ik dat hun arrogantie andere oude patiënten in de toekomst niet zal kunnen behoeden voor een herhaling van dezelfde fouten die mijn moeder het leven hebben gekost. Ik blijf het tragische medische verhaal van mijn moeder uitdragen, in de hoop er ooit iets positiefs mee te bereiken.
Het is erg te constateren dat oud zijn in dit land bijna verworden is tot een misdaad. Onze oude mensen zijn voortdurend het slachtoffer van de bezuinigingen van de regering en worden bij herhaling gebruikt als de oorzaak van de financiële problemen in dit land en dat moet afgelopen zijn.     
Het is mijn wens dat eens op een dag de dood van mijn moeder niet voor niets zal blijken te zijn geweest en zal kunnen bijdragen tot een betere medische verzorging voor al onze oude mensen in dit land. Maar voor nu lijkt de vervulling van die wens nog ver, veel te ver weg!    

 

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here