Mountainbike technieken

0
1030
blog placeholder

Houding en afstelling

 

Als je begint is de eerste stap die je zet het juist afstellen van je zadel, maar wat is nu die juiste afstelling?

 

De hoogte van het zadel bepaal je door op het zadel te gaan zitten en vervolgens zet je één voet (hak) op het pedaal. Dit been moet dan licht gebogen zijn en met het andere been moet je nog net met je tenen de grond kunnen raken.

 

Een goede zadelstand van de mountainbike is ook erg belangrijk. Bij het afstellen van het zadel moet je zorgen dat de punt niet te hoog staat. Je kunt het zadel eventueel ook nog wat naar voren of achteren plaatsen, hier is veder geen vaste stand voor. Dit is een kwestie van proberen, wat je zelf het lekkerst en comfortabelst vind zitten.   

Bovendien moet de stuurpen niet te lang of te kort zijn. Als die wel zo is, kun je erg last van je rug krijgen.

 

Om schokken te kunnen opvangen moet je er altijd voor zorgen dat je armen en benen licht gebogen zijn. Zorg ervoor dat je altijd ontspannen op je fiets zit.

 

Balans/Trackstand

 

Balanceren is één van de vaardigheden die je moet beheersen. Om je balans te verbeteren kun je dit het beste stilstaand oefenen. Hieronder staan enkele tips:

 

1)      Zorg dat je ontspannen op je fiets zit en houdt je armen en benen licht gebogen. Zet je versnelling niet te zwaar, als je dan dreigt om te vallen kan je snel aanzetten. Zorg dat je pendalen horizontaal staan. Op deze manier kan je beter je balans houden

 

2)      Draai dan je voorwiel ongeveer 30 graden in de richting van je voorste been.

 

3)      Door kleine bewegingen met het stuur te maken kun je beter balanceren. Door te oefenen zal je dit snel beheersen.

 

Tip: Probeer kleine bewegingen met het stuur te maken, zo kun je namelijk beter balanceren.

 

Bochten

 

Het belangrijkste dat je moet doen bij het nemen van bochten, is het verminderen van je snelheid en het verplaatsen van je gewicht in de richting van de bocht. Je moet wel de bocht goed doorkijken. De meeste bochten worden van buiten naar binnen genomen. Je moet wel goed opletten dat je je voet bij scherpe bochten wat omhoog houdt, omdat je anders met je voet de grond kan raken. Verder moet je, om zoveel mogelijk grip te behouden, je gewicht laag bij de grond houden.

 

Ook moet je in een bocht je mountainbike altijd laten doorrollen en dus nooit remmen. Mocht je de bocht toch een keer niet goed hebben ingeschat en die scherper is dan dat je dacht, dan kun je eventueel met je achterrem bijremmen of slippen zodat je toch goed de bocht door kan komen.

 

Tip: Probeer altijd de bocht zo rustig mogelijk te nemen, schakel op tijd terug bij scherpe bochten, laat je lichaam goed meesturen en probeer je lichaamsgewicht zo dicht mogelijk bij de grond te houden.

 

Haarspeldbocht

Bij een haarspeldbocht moet je ervoor zorgen dat je aan de buitenkant van het pad zit. Je kan dan namelijk de bocht beter insturen. Ook kun je beter je voet die in de binnenbocht zit wat meer uitstrekken, omdat je dan met je voet bij de grond kan als je het gevoel hebt dat je wegglijdt. Vlak voor de bocht moet je het stuur in de richting van de bocht draaien en het achterwiel blokkeren. De achterkant van je mountainbike glijdt dan vanzelf achter je stuur aan. Wanneer je achterwiel weer in de goede richting staat moet je je achterrem loslaten en moet je weer vol aanzetten.

Tip: Probeer naar een lichtere versnelling te schakelen voordat je de haarspeldbocht ingaat, zo is het makkelijker om na de bocht weer op de juiste snelheid te komen.

Klimmen

Het is belangrijk dat je voordat je gaat klimmen je mountainbike in de goede versnelling zet. Er bestaat namelijk een grote kans dat je ketting overslaat wanneer je tijdens het klimmen gaat schakelen. Je moet altijd in je eigen tempo blijven fietsen. Ook kun je beter zo lang mogelijk zittend blijven fietsen, omdat je hier minder kracht/energie voor nodig hebt. Bovendien zorg je er zo voor dat er genoeg druk op de achterband blijft staan.

Wanneer je een steile helling gaat beklimmen moet je je ellebogen wat meer buigen en je moet wat naar voren leunen. Het is belangrijk dat je wel je rug recht houdt. In deze houding komt het zwaartepunt namelijk ergens anders te liggen waardoor je gewicht wordt verplaatst en je dus zo meer grip krijgt.

Tip: Bepaal je eigen snelheid en blijf zo lang mogelijk zittend fietsen.

Afdalen:

Je moet er eerst voor zorgen dat je versnelling goed staat. Verder moet je je armen iets buigen, want dit zorgt ervoor dat de schokken beter worden opgevangen. Je moet ook je gewicht naar achteren verplaatsen. Wanneer de helling echt erg steil is, kun je met je lichaam achter het zadel gaan hangen. Het is belangrijk dat je tijdens het afdalen niet in je zadel blijft zitten, omdat je bij bijvoorbeeld wat hobbels en kuilen in de weg van je fiets afgeschoten kan worden.

Je moet ook altijd goed vooruit kijken, zodat je kan zien wat het beste pas is om te volgen. Ook is het handig om je pendalen horizontaal te houden wanneer je even niet fietst. Je kan dan namelijk makkelijker over obstakels heen springen en je hebt dan meer ruimte tussen de pendalen en de grond. Je raakt dan eventuele obstakels die op de grond liggen minder snel.

Wanneer je wilt remmen moet je eerst je achterrem gebruiken, maar daarna ook je voorrem. Je hebt namelijk met de voorste rem meer remkracht, omdat je gewicht tijdens het remmen altijd naar voren verplaatst wordt.

Wanneer je tijdens het dalen in een gleuf in de grond terecht komt, moet je proberen die gleuf te blijven volgen. Je moet niet proberen om je wiel uit de gleuf te krijgen, omdat de kans dan groot is dat je wiel wegglijdt. Wanneer je kan springen is dat wel mogelijk (zie voor springtips het volgende stukje over springen).

Tip: Buig bij het afdalen je armen en verplaats je gewicht naar achteren. Gebruik bij het remmen eerst je achterrem en daarna pas je voorrem.

Springen:

Bij het springen is het belangrijk dat je de goede snelheid hebt. Het is makkelijker om te springen wanneer je te hard rijdt, dan wanneer je te zacht rijdt. Voordat je springt moet je ervoor zorgen dat de pendalen horizontaal staan. Sta nu langzaam op en zorg ervoor dat je armen en benen licht gebogen blijven. Je moet je gewicht goed over de fiets verdelen. Vlak voor het obstakel waar je overheen wilt springen moet je je mountainbike iets naar beneden duwen en moet je omhoog springen. Je moet proberen een goede balans te vinden. Bij de landing moet je als eerste met het achterwiel weer de grond te raken.

Tip: Rij liever te hard dan te langzaam!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here