Het Verdrag van Maastricht

0
668
blog placeholder

Het Verdrag van Maastricht

 

Op 7 februari 1992 werd het Verdrag van Maastricht gesloten. Dit verdrag, dat door 12 lidstaten van de toenmalige Europese Gemeenschap werd getekend, bevatte doelstellingen ten aanzien van de EMU. In de eerste plaats stelde het verdrag convergentiecriteria op, waar nieuwe lidstaten aan moesten voldoen om te kunnen toetreden tot de EMU. Tevens werd een zogenaamde opt-out clausule opgenomen voor lidstaten die wel voldeden aan de convergentiecriteria, maar de toetreding om bepaalde redenen wilden uitstellen. 

Ten tweede werd in het verdrag een tijdschema beschreven voor de invoering van de gemeenschappelijke munt. Dit tijdsschema bestond uit drie fasen. In de eerste fase, die in juli 1990 van start ging, dienden alle lidstaten convergentieprogramma’s op te stellen die lange termijn maatregelen bevatten die elke lidstaat moest doorvoeren om aan de convergentiecriteria te kunnen voldoen. Door de oprichting van het Europees Monetair Instituut (de voorloper van de ECB) in januari 1994, ging de tweede fase van start. In deze fase werd besloten om de overheidsfinanciën onder Europees toezicht te plaatsen. In het geval van buitensporig begrotingstekort konden de Europese Commissie en de Raad van ministers van economie en financiën aanbevelingen doen. Tevens konden de overheidstekorten niet langer op monetaire wijze gefinancierd worden (no bail-out clausule) en werden de centrale banken van de lidstaten politiek onafhankelijk. 

Tot slot, de derde fase hield in dat alle wisselkoersen van de lidstaten die voldeden aan de convergentiecriteria werden vastgelegd. Daarnaast is in deze fase ook de eenheidsmunt gecreëerd en de ECB opgericht. Zoals eerder gesteld, moesten lidstaten, die deel wilden nemen aan de derde fase van de EMU, voldoen aan de convergentiecriteria. De convergentiecriteria zijn:

·                 Lidstaten moeten een stabiele inflatie hebben die niet hoger ligt dan 1,5%-punt boven het gemiddelde van de drie lidstaten met de laagste inflatie.

·                 De munt van de lidstaten moet minstens twee jaar binnen de fluctuatiemarges van het European Exchange Rate Mechanism blijven. De munt mag in deze periode niet opzettelijk gedevalueerd worden.

·                 De lange termijn rentevoet mag niet hoger zijn dan 2%-punt boven het gemiddelde van de drie lidstaten met de laagste inflatie.

·                 Er mag geen sprake zijn van buitensporig tekort. Dit hield in dat de totale schuld van de overheid niet hoger mocht zijn dan 60% bbp, tenzij de schuld in voldoende mate is gedaald. Ook mocht het jaarlijks begrotingstekort niet meer dan 3% bbp bedragen, tenzij het begrotingstekort aanzienlijk en voortdurend is gedaald en nagenoeg het niveau van de referentiewaarde heeft bereikt of er sprake is van een tijdelijke en uitzonderlijke situatie waarbij het begrotingstekort niet veel hoger ligt dan 3%.

Een van de redenen voor het opstellen van de bovengenoemde convergentiecriteria is om te voorkomen dat lidstaten met forse verschillen in inflatieniveaus tot de EMU konden toetreden. In dat geval zou een lidstaat met een lage inflatie aan welvaartsverlies lijden ten opzichte van een lidstaat met een hoge inflatie. Daarnaast wordt met de convergentiecriteria voorkomen dat lidstaten tegen een gunstigere wisselkoers toetreden tot de EMU.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here