David Bowie; kunstenaarschap als roeping

0
483
blog placeholder

In de jaren zeventig werden een aantal termen
gebruikt om de muziek van Bowie te categoriseren. Zo was er de term
‘glitterrock’, waarmee dan meteen meer en minder verwante acts werden gevat
zoals Marc Bolan en ‘the Sweet’. Buiten de inderdaad veelal opvallende en
glinsterende outfits had Bowie echter niet zo gek veel gemeen met deze bands,
hetgeen meteen de beperking van deze benaming aangeeft. Daarnaast werd Bowie
aangeduid als voorganger van de ‘nichtenrock’. Deze aanvankelijk spottend
bedoelde term werd uiteindelijk een geuzenaam, aangezien Bowie de traditionele
man- en vrouwpatronen ook in de popmuziek als veel te beperkt beschouwde voor
zijn artistieke uitingsvormen. Op dit punt was Bowie ook een trendsetter. Vele
artiesten na hem, waaronder de ook ietwat androgyne Prince gingen hun
seksualiteit op een meer multidimensionale manier uitdragen. Toch is ook deze
term beperkend omdat het de blik vernauwd tot een bepaald aspect. Het gaat
bijvoorbeeld voorbij aan Bowies drang tot vernieuwing. Bowie en zijn
voorbeelden Iggy and the stooges en The Velvet underground zijn weer de
voornaamste inspirators van de ‘new wave’. Het geboortejaar van de new wave
wordt echter algemeen gedateerd op 1977 en toen had Bowie voor een belangrijk
deel zijn artistieke statement al gemaakt. Misschien wel de beste term om Bowie
in de jaren zeventig te vatten is ‘artrock’; popmuziek als kunstvorm.
Pretentieus? Zeker weten! Velen beschouwen popmuziek toch als vluchtig vermaak
voor met name teenagers. Bowie en geestverwanten als Roxy Music namen daar
nadrukkelijk geen genoegen mee. In zekere zin trok Bowie ook wel weer de lijnen
door die in de jaren zestig al door bands als the Beatles waren uitgezet;
debuterend met eenvoudige liefdesliedjes, culminerend in ambitieuze,
surrealistische conceptalbums. Kenmerkend voor ‘artrock’ is dat het de verbeelding
mag aanspreken. Er wordt een nieuwe realiteit gecreëerd, eerder dan dat de
bestaande wordt vastgelegd of aangevuld. Met de “peace and love” thematiek van
het hippiedom werd echter resoluut gebroken. Scherpe, onnatuurlijke klanken en absurde
teksten hoorden er dan ook veelal bij.

Bowies golden years

Veel van de inhoud van de teksten ging
vroeger aan mij voorbij. De tekstschrijver Bowie werd soms als wat afstandelijk
beschouwd. Bowie streefde soms door toepassing van de zogenaamde “cut up”
techniek (bekend van William Burroughs; het opknippen van geschreven tekst en
het willekeurig herschikken ervan) ook een vervreemdend effect na. Bij mijn
weten werd Bowie als tekstschrijver nooit zo hoog aangeslagen als bijvoorbeeld
Bob Dylan of later Bruce Springsteen. Bij het herinterpreteren van een aantal
van zijn teksten valt echter op hoe direct en duidelijk Bowie ook wel weer kon
zijn over zijn artistieke intenties. Om dit te illustreren volgt een kleine
selectie van een aantal quotes uit bekende liedjes. Zo is daar de
beginselverklaring uit het lied ‘changes’ van het eerste artistiek volwaardige
album ‘Hunky dory‘; “Cha-cha-cha-cha-changes,turn
and face the strange”. Bowie kondigt hier aan dat hij van plan is zijn
publiek te gaan verrassen door te gaan kiezen voor het vreemde en onbekende.
Niet zozeer omdat het veranderen hem zo gemakkelijk afgaat maar meer als
bewuste keuze; een buitengewone opdracht. Zo’n 4 albums later is Bowie volledig
vastgelopen binnen zijn context en ziet geen andere mogelijkheid dan daar
rigoureus mee te breken (“This ain’t
rock’n roll, this is genocide!”- Diamond dogs, 1974) hoe succesvol hij er ook mee geworden is.
Hij stuurt zijn band naar huis, verkast naar Amerika en dompelt zich er
volledig in onder (in een bekend interview:“There’s a fly floating around in my milk and he’s… he’s a foreign body in it, you see, and he’s
getting a lot of milk”.
Met name zijn kennismaking met de zwarte muziek en het werken met zwarte
muzikanten (zoals te horen op het album “Young Americans”) zijn een revelatie
voor hem. Op “Station to station” diept hij, gebruik makend van alle nieuwe
invloeden de essentie van zijn kunstenaarschap verder uit: “My
prayer flies like a word on a wing, Does my prayer fit in with your scheme of
things?”. Bowie is zich
zeer bewust dat hij vooruit gaat (en apart is gezet) in zijn rol als
kunstenaar. Hij is echter net zozeer dienstbaar. Aan god? Maar toch ook op zijn
minst aan zijn ‘roeping’ als kunstenaar! Zaken die elkaar niet uit hoeven te
sluiten Het gekozen alter ego “thin white duke” wordt door velen als
afstandelijk omschreven. Dit gaat echter voorbij aan de grote emotionele impact
die het album ook heeft. Aan de ontwikkeling van zijn vocale register te horen
heeft Bowie ook behoorlijk wat opgestoken van de zwarte muzikanten om hem heen.
Amerika heeft Bowie in artistieke zin het nodige gebracht maar is wellicht
minder goed geweest voor zijn gezondheid. Hij neemt wederom een ingrijpende
beslissing en verhuisd naar Berlijn. Onder meer om van zijn cocaïneverslaving
af te komen, maar hier komt hij opnieuw in contact met diverse nieuwe
stromingen zoals de Duitse elektronische muziek. In samenwerking met Brain Eno produceert
hij het zeer invloedrijke “Berlijnse trio” welke voor een belangrijk deel zijn
gevuld met instrumentale, wat zwaarmoedige elektronische muziek. Een van zijn
belangrijkste liedjes uit deze tijd is ‘heroes’ met het fragment: “We could be heroes, just for one day”.
Zeer bewust is het ‘heroes’ op de hoes van aanhalingstekens voorzien. Hij lijkt
er zijn eigen heldendom mee te relativeren. Aan wie is het om heldendom te definiëren?
Misschien kunnen we zelf helden zijn,… als? Ja, als wat eigenlijk? Niet
toevallig is het nummer ‘heroes’ getoonzet als een blues, een artrock variant
weliswaar maar een onmiskenbare blues. De stijlvorm van de lijdende, falende en
toch naar beter strevende mens. Bowie is hiermee ook de ultieme stem van de
moderne westerling; in de jaren zestig heeft hij zijn zelfbeschikkingsrecht
bevochten en deze in de jaren zeventig verder uitgebouwd. Wat nu te doen met al
deze verworven vrijheden?

Het wederom in Amerika opgenomen sterke
“Scary monsters” uit 1980 is in meerdere opzichten het sluitstuk van een
periode. Niet voor niets zijn de hoezen van het “Berlijnse trio” op de hoes
afgedrukt. Het is ook het voorlopige einde van zijn succesvolle samenwerking
met gitarist Carlos Alomar en zijn laatste album op het label RCA. Het “up the
hill backwards”; (waarheen? waarvoor?) kan evenzeer gelden voor de artiest
Bowie als voor de mensheid in het algemeen.

De latere jaren

Het plaatsen van het woord comeback tussen
aanhalingstekens in de aanhef zou kunnen impliceren dat Bowie niet echt terug
is. De heersende opinie in de popmuziekjournalistiek is immers: de artistieke relevantie
van de Bowie van na 1980 steekt bleekjes af tegen die van de Bowie van ervoor.
Met evenzoveel recht zou je ook kunnen stellen dat Bowie nooit weg geweest is.
Hij is immers met wisselende tussenpozen steeds platen blijven maken. Voor
zover ze al kwalitatief in de schaduw kunnen staan leggen ze het qua
innovatieve impact zeker af tegen zijn platen uit de jaren zeventig. Maar
misschien is het ook wel niet helemaal eerlijk om hem exclusief tegen dit criterium
te beoordelen. Op deze manier keert de faam van Bowie als innovator zich immers
wel erg tegen hem.

De hoes van Bowies laatste plaat “The next
day” betreft een met een wit vlak beplakte kopie van zijn ‘Heroes’ uit 1978.
Dit zou heel goed een poging van de artiest kunnen zijn om af te rekenen met de
zijn eigen mythe welke wordt geschraagd door zijn ‘klassieke’ werk. “Dit hebben
we gehad, kunnen we nu over naar vandaag?” Het zou daarmee in lijn liggen met
de titelkeuze van zijn album ‘Heathen’ uit 2002. Het cd-boekje hiervan bevat
louter doorgehaalde teksten en afbeeldingen van bekladde en met mes bewerkte
heiligenvoorstellingen. Bowie zou hiermee het volgende kunnen zeggen: “als mijn
oude werk heilig is en mijn artistieke nalatenschap voltooid, dan komt doorgaan
neer op heiligschennis. Dan ben ik dus zelf nu ‘de heiden’ die deze schennis op
zijn geweten heeft.” Noodgedwongen valt Bowie zichzelf aan omdat hij wil
ontkomen aan het lot van zijn bekendste alter ego Ziggy Stardust welke op het
toppunt van zijn roem wordt verzwolgen door de gevolgen ervan. De enige
mogelijke invulling van vernieuwing is er een dikke streep doorzetten. Bowie
daagt zijn luisteraar hoogstpersoonlijk uit om te herijken wat wel en niet
waardevol is van zijn werk. Misschien was al zijn werk van voor 1980 toch niet
zo boven alle kritiek verheven en al het werk van daarna toch niet zo slecht.

Het beste voorbeeld van artistieke relevantie
van de late Bowie is misschien wel zijn album ‘Outside’ uit 1995 welke wederom in
samenwerking met Brain Eno en (artistiek geweten) Carlos Alomar tot stand is
gekomen. Wellicht omdat het een soort conceptplaat betreft met een nogal lastig
te volgen rode draad is het het minst begrepen album uit zijn loopbaan
geworden. Maar ook een van zijn allerbeste, waar het gaat om sfeer en kwaliteit
van de liedjes, volledig in lijn met zijn klassieke werk. Bowie geeft misschien
niet meer de lijnen aan waarlangs de tijdgeest zich zou kunnen ontwikkelen maar
voelt deze in ieder geval nog prima aan. De plaat bevat een afgewogen mix van
artrock met eigentijdse invloeden uit de dance en de drum ‘n bass. De plaat
wordt verder gekenmerkt door een dreigende en enigszins paranoïde sfeer welke
ook in de teksten tot uitdrukking komt: “This
is your shadow on my wall. This is my flesh and blood. This is what I could’ve
been. And the wheels are turning and turning as the 20th century dies”.  Misschien
is “your shadow” wel van de mythe Bowie die hem steeds meer gevangen houdt.

De verbeelding van Bowie

De sterk wisselende visuele presentatie van de
Bowie uit de jaren zeventig (waarmee verschillende alterego’s werden verbeeld) spreekt
nog steeds tot de verbeelding. De acts van Marilyn Manson en Lady Gaga, om er
maar eens een paar te noemen zijn er aanwijsbaar door beïnvloed. Met
terugwerkende kracht blijkt dat de aankleding van Bowie, hoe buitenissig het
destijds soms ook aandeed hem tot een onvergankelijk mode- en stijlicoon heeft
gemaakt. De superster Bowie nam in 1983 een beetje afstand van zijn vroegere ik;
de aandachttrekkerij van toen was een truc om onzekerheid te verbergen. Deze
relativeringen waren echter volstrekt overbodig. De Bowie uit de jaren zeventig
ziet er ook met de ogen van nu nog steeds overwegend stijlvol uit en blijft in
die zin tot op de dag van vandaag inspireren. Veel minder dan zijn voorgenoemde
navolgers was zijn soms spectaculaire ‘look’ een ordinaire schreeuw om
aandacht. Veel meer was het een evenredige invulling van het totaalconcept
Bowie als kunstuiting, waarbij de pretentie van de muziek op volstrekt logische
wijze visueel werd ingekleurd.  “Don’t you wonder sometimes….about sound and
vision?”. Hoe zij samen kunnen komen op een specifieke plaats in de tijd,
in een nagenoeg perfecte balans? Geprojecteerd door een uitzonderlijk talent op
de toppen van zijn kunnen. Het is niet gek dat iedereen daar naar terug blijft
grijpen, inclusief de Bowie van 2013 zelf. Al zijn deze referenties voor de
oude meester zelf wel een stuk tweelediger dan voor velen om hem heen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
Please enter your name here